Tijdens Pasen, rond het jaar 770 n.Chr verdrong zich op de kanaalbrug (tegenwoordig geheten de Dukenburgse brug) een jongen, nog geen man. Hij was naar Noviomagum gekomen om leerjongen van een bekende smid te worden, maar nu stond hij te kijken naar het geweld dat op het water onder hem plaats nam. Hij was middelgroot en zijn vodden hingen onbeduidend om hem heen. Zijn gezicht werd getekend door een litteken dat over zijn oog liep. Alhoewel zijn lompen en gebrek aan schoenen het niet zouden verraden, kon men in zijn ogen al een ster zien fonkelen. Een licht dat in de gehele geschiedenis maar voor een aantal mensen heeft gebrand. Hij bleef nog even naar de sloepen op het water kijken. Sommige waren gevuld met acht, sommige maar met vier, maar allemaal bewogen ze zich als een dronken spin over het water. Een luide knal verbrak de stilte en er schoten sloepen met maar één persoon het water over. Decadenten, mannen en vrouwen gekleed in de mooiste gewaden. Daar ging er één om, de arme stakker verdronk bijna maar werd met een touw aan wal gesleept. De Sint Steven sloeg 3 keer. Verdraaid!’ dacht Artaban en hij beende haastig door de menigte heen naar de stad.

Artaban baande zich door een nauwe straat. ‘Het riekt hier naar uitwerpselen’ mompelde hij in zichzelf terwijl hij bijna over een leproos struikelde ‘maar het is beter dan thuis, hier is tenminste werk. Thuis stinkt het naar uitwerpselen én is er geen werk.’ Voor de smederij stond zijn toekomstige baas al ongeduldig om zich heen te kijken. Een grote, zwaarlijvige man die duidelijk geen last had gehad van de vorige hongerwinter. Of het door zijn corpulente bouw, gigantische druipsnor of norse blik kwam, wist Artaban niet, maar alles aan deze man schreeuwde dat hij een Saks was. Hij zou waarschijnlijk Fritz heten. Zonder zich voor te stellen stak Fritz van wal. Van onder zijn druipsnor bromde hij naar Artaban: ‘Voor deze keer strijk ik over mijn hart, omdat het Pasen is. Maar als je nog een keer te laat bent, kun je de hort op. Voor jou tien anderen. Dit houd ik trouwens in van je loon. Wat sta je nou nog met die lege ogen naar me te kijken? Aan het werk! Ik betaal je niet om te lanterfanten, voor jou tien anderen!’ Artaban snelde de smederij binnen en net toen hij dacht dat het niet erger kon, alsof hij dit over zichzelf afriep, zag hij de vrouw van de smid. Qua uiterlijk valt er weinig over te zeggen, behalve dat het Fritz met een pruik op was. Artaban was bang dat Fritz om de smederij gerend was, een pruik op had gedaan en hem hier nog een veeg uit de pan zou geven. Maar tot zijn verbijstering pakte Fritz met een pruik hem met twee handen beet, tilde hem met gemak van de grond en plakte een dikke, natte zoen op zijn wang. ‘Ik ben Katrina!’ schreeuwde ze alsof ze de woorden van haar man uit zijn oor wou jagen ‘en wie ben jij?’ ‘A- Artaban’ stamelde hij, terwijl ze hem rustig neerzette. Nog nooit had hij een engel gezien die zo goed vermomd was. ‘Ach ja, jij bent die jongen ja, Artaban, uit dat gehucht, uhm, Arnhem! Jij komt hier werken, ja? Goed! Begin daar maar, als je iets nodig hebt dan kom jij dat vragen ja?’ en voordat hij kon reageren draaide ze zich om en verdween ze het huis in. Nee, Artaban was er nu vrij zeker van dat Fritz niet om de smederij heen was gerend.

Op de smederij gebeurde weinig noemenswaardigs. Werk ging door, exact zoals iedereen verwacht dat dat op een smederij gaat. De zeldzame momenten dat de routine doorbroken werd was als Fritz iemand stond te schofferen omdat hij zijn werk verzuimd had of Katrina brood en melk voor iedereen meegenomen had. Het duurde echter niet lang voordat Artaban een naam voor zichzelf had gemaakt. Niet als smidsleerling, want op de werkplaats gooide hij er met de pet naar. Nee, Artabans licht scheen op andere plekken. Op de smederij was hij vrienden geworden met een grote, lompe gast genaamd Barend-Jan. Barend-Jan stak twee koppen boven Artaban uit en had qua fysiek wel wat weg van Hercules. Hij was te dom om onder de varkens te strooien, maar dat mocht zijn enthousiasme niet drukken. Barend-Jan was vastberaden om de beste smid ooit te worden, beter nog dan Alvis. Helaas vergat hij dit tijdens de nachten dat hij samen met Artaban door Nijmegen slenterde en wilde hij na een paar liter bier alleen nog maar gokken en achter vrouwen aanjagen. ‘S-ochtends voelde hij zich dan zó verrot, alsof hij een marathon had gerend en door een militie-eenheid in elkaar geslagen was, dat een schoffering van Fritz verleidelijk was als dat betekende dat hij nog een half uur op bed kon blijven liggen. Het gokken gebeurde in donkere kroegen, in duistere hoekjes met louche mannen. Barend-Jan had weinig aanleg, na 10 minuten wilde hij het over smeden hebben en na 15 minuten zat hij onder de rok van de barvrouw. Artaban daarentegen had het spel goed door (dat ze poker noemde) en begon een klein fortuin achter zijn naam te zetten. Na weer een succesvolle avond voor Artaban (en een minder succesvolle voor Barend-Jan) werd hij benaderd door een naar rook ruikend mannetje met een ver terugtrekkende haarlijn en een scherp gezicht. ‘Over een week van nu in de kroeg hier schuin tegenover’ zei hij met een stem alsof hij een dag aan een schoorsteen had staan lurken ‘wordt een toernooi gespeeld met een echte prijzenpot. Tot nu toe heb je voor wisselgeld gespeeld’ hij onderbrak zijn zin om een volle vijf minuten in hoesten uit te barsten, net toen Artaban bang was dat de man zou sterven, herpakte hij zich en ging hij verder alsof er niks gebeurd was. ‘Maar volgende week, volgende week gaat het om de hoofdprijs’. Burgemeester Slurb zal er ook zijn, en nog wat andere decadenten. Je speelt goed, ik denk dat jij ook moet komen.’ Artaban vroeg hoeveel geld hij mee moest brengen en de man vroeg listig hoeveel hij had. ‘Dat ga ik je niet vertellen’ zei Artaban ‘anders kom je me beroven.’ De man knikte begrijpend en schreef een getal van drie cijfers op een papiertje en gaf dat aan Artaban. ‘Hier’ zei hij ‘vermenigvuldig dit met vijf, deel het door twee, tel daar het originele getal bij op en haal er dan een derde vanaf.’ Hij schreef de datum en de naam van de kroeg nog op het papiertje en verdween de kroeg uit, bij elke drie stappen over zijn linkerschouder kijkend. Artaban sleurde Barend-Jan onder de rok van de barvrouw vandaan, die er onderhand ook wel schoon genoeg van had, en ging op huis aan. Dit was zijn kans.

Het was ochtend en Artaban stond op de binnenplaats van de smederij. Hij wist niet zeker meer of hij geslapen had of niet, maar het was in ieder geval geen droom. Als het een droom was, zou hij zich niet zo barslecht gevoeld hebben. Hij moest snel aan geld komen, en veel. Maar hoe? Als hij het aan Fritz zou vragen zou hij geheid bot vangen, maar hij kende ook niemand anders die zoveel geld had. Toen kwam, alsof toeval niet bestaat, Katrina de trap naar de smederij af. Toen ze Artaban zag versnelde haar pas en walste ze de trap af, bij elke stap bonsde zijn hoofd mee. Hoewel hij zich na vannacht (op z’n zachts gezegd) slecht voelde en met een hoop mensen had willen ruilen, voelde hij toch medelijden met de trap. Het ding kreunde en steunde maar hield fier stand. Katrina kneep hem in zijn wangen en tilde hem haast van de grond, iets waar ze een gewoonte van had gemaakt. ‘Ach Artaban, jij en Barend-Jan zijn gisteren uitgeweest ja? Hij is niet uit bed te krijgen! Het is dat hij onze beste smid is, want anders…’ ze keek Artaban opeens streng aan en zei ‘jij moet dat niet flikken, ja? Jij kunt je dat niet permitteren.’ Ze liet hem los en voor het eerst die dag kon Artaban helder denken. Het beste was, zo realiseerde hij zich, was doodgemoedereerd om de smak geld vragen. ‘Katrina,’ begon hij en hij keek haar betekenisvol aan, zoals alleen iemand kan kijken die iets van je nodig heeft. ‘Katrina,’ begon hij opnieuw, want zijn geheugen liet hem op een dag als vandaag in de steek ‘ik heb iets nodig.’ Hij zweeg even, misschien om zijn vraag gewichtigheid bij te zetten, maar vooral om te bedenken hoe hij om zoveel geld ging vragen, en Katrina keek hem recht aan. Hij herpakte zichzelf en ging door. In zijn hoofd had het geklonken alsof hij Jezus bij Pilatus vrij zou pleiten, een heldhaftig epos over hoe winst gegarandeerd was en wat hij wel niet voor goeds met het geld zou doen, allereerst de lening tienvoudig terugbetalen, maar dit was wat daarvan overbleef: ‘Ik ben geen Barend-Jan, de smederij is niet mijn passie. Maar… Ik kan wel iets anders goed, het spel dat we in de kroegen spelen, poker. Juist… Volgende week dus, is er een toernooi voor heel veel geld… Burgemeester Slurb komt zelfs… Maar…’ hij pauzeerde even ‘Maar ik heb niet heel veel geld, ik vroeg me dus af of je me wilde voorschieten…’ Desondanks keek Katrina hem aan alsof ze bereid was overal ‘ja’ op te zeggen. Katrina dacht even na, vroeg hoeveel hij dan precies nodig had en hief na het horen van het bedrag haar linker wijsvinger op naar Artaban, tot deze enkele centimeters van zijn gezicht verwijderd was en zei: ‘Jij wacht hier, ja? Ik kom zo terug. Nergens heengaan, ja?’ Voor het eerst viel het Artaban op hoe harig haar handen eigenlijk waren en hij vroeg zich af of het niet toch Fritz met een pruik was. Katrina stormde weg, de trap op en enkele minuten later weer af. God wat had hij toch een medelijden met die trap. In haar armen droeg ze een kistje van massief mahonie. Ze overhandigde het kistje aan Artaban zonder een woord te zeggen. Artaban hoefde ook niet in het kistje te kijken, haar blik zei genoeg. ‘Je krijgt het tienvoudige terug…’ mompelde hij, stomverbaasd hoe makkelijk hij zoveel geld had gekregen. Katrina zei niks, maar pakte hem weer bij zijn wangen vast en glimlachte. Dit keer kneep ze echter alsof ze de woorden in zijn wangen wilden drukken, zodat iedereen het kon zien. Artaban snelde zich naar zijn slaapkamer om het geld op te bergen. Toen hij terugkwam had Fritz Barend-Jan al naar de binnenplaats gesleept en stond hem daar ten overstaande van de verzamelde arbeidskrachten lik op stuk te geven. Hoewel voor Artaban de week als een eeuwigheid voelde, gebeurde er in werkelijkheid niet zoveel.

Precies een week later was Artaban in de kroeg schuin tegenover de kroeg waar hij een week eerder was. Het pand was van binnen veel groter dan het van buiten leek en Artaban had moeite met de ruimte goed in zich opnemen. De muren zagen er goed uit en waren minstens 25 jaar geleden nog geschilderd, er stonden een aantal grote, ronde tafels met nummers erop en het rook er een beetje naar leverworst. Het was duidelijk dat kosten noch moeite gespaard waren gebleven, dit was de crème de la crème. Aan elke tafel was ruimte voor zeven personen, zes deelnemers en iemand die de kaarten deelde (zoals gebruikelijk was in die tijd). Artabans geld werd gecontroleerd op authenticiteit, gewogen en ingeruild voor saffieren, robijnen en parels. Hij liet de juwelen door zijn vingers glijden, de saffieren waren blauwer dan de nachtelijke hemel, de robijnen roder dan de opgaande zon en de parels waren zo puur als de piek van een sneeuwberg in de schemering. Hij werd opgeschrokken door een man die driemaal op de grond stampte en schreeuwde dat het toernooi zou beginnen. Iedereen nam plaats en de avond was los. De avond verliep over het algemeen rustig, slechts enkele keren brak er een gevecht uit door onenigheid over de regels. Er werd moderne muziek gespeeld die Artaban niet goed kon plaatsen en drank werd geserveerd door nonnen in opleiding (NIOs). De NIOs droegen rode, korte gewaden (veel korter dan de gewaden van hun zusters die al non waren) en waren vooral nog in opleiding omdat ze het nog niet aankonden celibaat te zijn. Als ze hun wilde haren verloren waren zouden ze toetreden tot de tempel van de heilige drie, waarna ze zich nooit meer onder het gewone volk konden begeven. Maar tot die tijd vertoefde de NIOs in kroegen zoals deze. Artaban won de eerste drie tafels vrij gemakkelijk, maar aan de vierde tafel bevond hij zich in een benauwde situatie. Al zijn stenen lagen op tafel en de Franc tegenover hem bleek toch meer verstand van het spel te hebben dan hij in eerste instantie had laten merken. Toen de dealer de vierde kaart omdraaide, was hij als van het paard gevallen. Hij wist dat de Franc betere kaarten had, zijn lot was bezegeld. Artaban keek onrustig door de kroeg, twee tafels was een gevecht uitgebroken tussen een Mongoolse krijgsheer en de vrouw van een plaatselijke ambachtsman die zijn fortuin in schoenen had verdiend. Nog voordat Artaban met zijn ogen knipperde vloog de vrouw door de lucht en kwam met een harde smak neer op de tafel voor hem. Alle kaarten, evenals de juwelen, vlogen door de lucht en een moment van blinde paniek waarin iedereen probeerde te pakken wat hij of zij pakken kon volgde. Het duurde minstens een half uur voordat alles weer rustig was en iedereen zijn of haar bezittingen (zo goed als) terug had. Niemand kon zich meer herinneren hoe de kaarten op tafel lagen, behalve Artaban en de Franc, maar die eerste hield wijs zijn mond en die laatste werd door niemand geloofd. Onder hevig protest van de Franc werd er opnieuw gedeeld, maar nadat de Mongoolse krijgsheer naar hem gegromd had (waarschijnlijk omdat het gemekker hem stoorde) hield hij zijn mond. Artaban won ook deze tafel en vanaf hier was de weg naar de finaletafel zonder noemenswaardige hobbels. Toen de finaletafel eindelijk gespeeld kon worden was het laat, iedereen was moe en niemand had er nog echt zin in. Artaban keek de tafel rond en nam al zijn concurrenten goed in zich op. Links van hem zat burgemeester Slurb, wiens bestuursjaren te tellen waren in zijn nek. Daarnaast zat het mannetje met de terugtrekkende haarlijn die Artaban af en toe een smerige knipoog gaf waarbij hij een gebit ontblootte dat haar beste jaren een paar jaar geleden al had gezien. Rechts van hem zaten een man en vrouw van adel. Hij kon niet goed opmaken of het een koppel was, want zijn gedachten werden al snel getrokken door de man recht tegenover hem. Hij keek in het gele, donkere gezicht van de Mongoolse krijgsheer, zijn zwarte, sluike haar hing over zijn wangen zoals zijn mantel van schapenbont over zijn schouders was gedrapeerd. Artaban wist zeker dat dit de Mongool was die hem gered had van de Franc, er waren namelijk verder geen Mongoolse krijgsheren aanwezig. Hij wilde hem bedanken, maar toen hij zich tot de krijgsheer richtte sloeg deze met twee vuisten op de tafel, stond op van zijn stoel en spuugde op de grond naast hem. Staand, nog steeds met twee vuisten op tafel, keek hij Artaban grommend aan. Na een tijdje ging hij zitten, nog steeds grommend. Het werd snel duidelijk dat niemand Mongools sprak en dus niemand enig idee had wat de man zei. Wat ook duidelijk werd, was dat hij geen idee had wat hij aan het doen was. Na slechts drie handen was de Mongool al zijn juwelen kwijt. Brullend van woede stond hij op en hij poogde de juwelen van zijn buren te grissen en er vandoor te gaan. Op dat moment doken vijf bewakers op hem en toen dat niet genoeg bleek nog eens vijf. Onder het geluid dat het best beschreven kan worden als dat van een beer die in zijn winterslaap verstoord is werd hij naar buiten gesleept. Ze waren nu nog met vijf over. De man en vrouw van adel verloren in gelijkstelling met hun persoonlijkheid: niet interessant. Het ging nu nog tussen Artaban, burgemeester Slurb en de man met de terugtrekkende haarlijn. Artaban had de meeste juwelen, maar niet veel meer dan Slurb en de man met de terugtrekkende haarlijn leek steeds te verliezen, maar deed dat dan wonder boven wonder niet. Plots was het moment daar. Het eerste licht van de nieuwe dag had een weg gevonden door een vuil raam en scheen op de tafel waar het de juwelen deed stralen. Alles was ingezet, dit was de laatste hand. Artaban had in zijn hand twee koningen en op tafel lag een derde koning, de hartenkoning. Onder normale omstandigheden zou dit een winnende hand zijn, maar dit waren geen normale omstandigheden. Iedereens kaarten lagen open op tafel, voor Artaban twee koningen, voor Slurb een harten negen en tien en voor het mannetje met het sluike haar een klaveren twee en schoppen vier. Op tafel lag naast de hartenkoning nog een hartenvrouw. Als de vijfde en laatste kaart een hartenboer was, zou Artaban alles verloren hebben. Maar zoals dat gaat met mythes en legenden, is dit niet wat het lot voor ogen had. De laatste kaart werd op tafel gelegd, de vierde koning. De man met de terugtrekkende haarlijn was al lang onder luid gevloek van de tafel verdwenen en burgemeester Slurb kreeg bijna een hartaanval, maar Artaban voelde niets dan euforie. Hij had gewonnen en om te zeggen dat hij hiervan kon leven als een koning, zou een understatement zijn.

Nadat Artaban de beloofde lening tienvoudig had terugbetaald, Fritz had verteld waar hij die druipsnor van hem kon steken en Katrina (die daarnaast stond) een kus op haar wang gegeven had, vertrok hij naar zijn nieuwe villa. Hij liep een deur door die meer leek op een poort en begaf zich in een lege vestibule die minstens zo groot was als de hele smederij. De deur rechts van hem leidde naar de keuken en de deur links naar de woonkamer. Recht voor hem was de trap die naar de bovenverdieping leidde en toen Artaban de trap opliep merkte hij dat de balustrade met goud belegd was. Boven waren nog een zwik kamers, sommige groter dan de anderen, maar allemaal hadden ze één ding gemeen: het hele huis stond leeg. Het huis was opgeleverd precies zoals hij het gewild had, niet gestoffeerd. Dit was zijn verdienste en hij zou het huis inrichten zoals het hem liefde. Een hele maand lang liet hij het huis inrichten. Hij liet zijn meubilair uit Groningen aanslepen, zijn tapijt werd door een meester-stoffeerder uit Kerkdriel (geroemd om haar tapijtwevers) aangemeten en hij vulde zijn huis met allerlei snuisterijen die je tegenwoordig nog wel in een museum kunt vinden. Hij had drie koks in dienst, drie schoonmaaksters en één butler. Alles blonk en het eten was heerlijk, hij waande zijn leven als een waar Walhalla. Het leven was beter, gemakzuchtiger en mooier dan ooit tevoren. Desondanks kon hij niet zeggen dat hij ook gelukkiger was dan ooit tevoren. Iets duwde van diep in zijn ziel tegen de onderkant van zijn huid aan, als een kuiken dat tegen de binnenkant van zijn ei begint te duwen om het daglicht te kunnen zien was er iets in hem dat naar buiten moest. Iets zat niet goed, en het deed er alles aan om zich een weg naar buiten te banen. Gelukkig wist Artaban, de wijze man die hij was, exact wat dit was. Zijn huis omvatte zoals het er nu bijstond geen ruimte voor een gigantische bar! Hij had helemaal geen fatsoenlijke plek om te zuipen of poker te spelen! Omdat hij schatrijk was had hij ook de knaken om ieder werelds probleem op te lossen, zo ook deze. Drie maanden lang waren een stuk of wat timmermannen aan het zweten om zijn bar te bouwen, maar aan het einde had hij de beste bar van heel Nijmegen. En om zichzelf te belonen voor het harde werk nam hij er een leuke barvrouw bij (er moet hierbij gezegd worden dat ze naast leuk vooral bekwaam was, want Artaban leek niet dronken te kunnen worden en om het drankorgel dat hij was bij te houden moest degene achter de bar vooral bekwaam zijn). Hij vulde het met de zogeheten ‘high society’ van Nijmegen, huurde de Mongoolse krijgsheer in als deurwachter om naar rook ruikende mannetjes met ver terugtrekkende haarlijnen buiten te houden en voor een maand was alles weer goed. Maar de gesprekken waren futloos, de vrouwen dronken niet omdat ze dat niet gepast vonden en de mannen verontschuldigden zich als ze te veel gedronken hadden waarop ze (hun vrouw aan de arm meetrekkend) naar huis gingen om kwart over elf. Gemakzuchtig was het zeker, maar spannend zeker niet. Artaban begon er net een beetje zin in te krijgen toen om kwart over elf al zijn gasten naar huis waren. De Mongoolse krijgsheer had als een soort Donkey Kong de barvrouw over zijn arm gegooid en naar zijn woning meegenomen (het is niet duidelijk of dat een huis, tent of grot was). Artaban stond weer alleen in zijn gigantische huis. ‘Christus te paard zeg,’ dacht hij ‘als elke avond zo eindigt kan ik beter meteen in de rivier duiken.’ Hij deed zijn jasje aan en dacht ‘het zal me, de avond kan beginnen.’ Het was een aangename avond en Artaban liep de stad in. Toen hij de Hesestraat inliep werd hij aan zijn jasje getrokken door een man met één been en één oog die tegen de muur zat. ‘Aalmoes voor een arme?’ vroeg hij, zijn ene oog gefixeerd op Artaban. Op de plek waar zijn oog ooit gezeten had, zat nu alleen nog maar verband wat je al lang niet meer wit kunt noemen. Op zijn best zou je het gebroken wit kunnen noemen, maar het werd dan wel gebroken door de kleur rood. Het was meer geel dan wit. Normaal gesproken gaf Artaban niet aan bedelaars, echter, vanavond was hij aangeschoten. Hij wierp de man een kleine, bescheiden parel toe waarop zijn oog begon te blinken. ‘Weelderige weldoener!’ schreeuwde hij en hief zijn handen de lucht in, de parel stevig in zijn linkerhand klemmend. ‘Weelderige weldoener!’ schreeuwde hij opnieuw en hij stond op, steunend tegen de muur. ‘Dank u, mijn heer, God zal u genadig zijn, u hebt een arme een kans op een nieuw leven gegeven!’ en terwijl hij dit zei liet hij zich weer op zijn knie vallen en kuste de vloer waar Artaban liep. Het voelt bijna overbodig om te zeggen dat Artaban dit godvergeten ongemakkelijk vond en hij wilde sneller lopen, waarop de man met één been en één oog ook steeds sneller moest kruipen om het kussen van de vloer waar hij liep bij te houden, wat Artaban wel een beetje sneu vond dus hij besloot weer wat langzamer te lopen, maar had er toch nog een stevige pas in zitten omdat hij zich eigenlijk van de situatie wilde onttrekken. Dit leverde een hoop vreemde blikken op. Gedurende dit spektakel voelde Artaban wel iets warms van binnen. Wat was het? Het kwam niet omdat hij nu aanbeden werd door een man met één oog en één been (dat vond hij maar vervelend). Het was ook niet de alcohol, Artaban begon weer nuchter te worden. Wat was het dan? Kon het zijn dat hij voor het eerst het idee had dat zijn geld wat nuttigs deed in plaats van het vullen van een leeg huis? Wat Artaban wel wist was dat hij nuchter begon te worden. Toen hij eindelijk de man met één been en één oog had afgeschud dook hij zo snel mogelijk de eerste de beste kroeg in. 

Artaban ging aan een tafel zitten in de hoek, bestelde drie halve liters, sloeg de eerste bij aankomst achterover om zijn mojo gaande te houden en raakte diep in gedachten verzonken over wat hem zojuist gebeurd was. Zo zat hij een dik uur zijn leven te overpeinzen. Plots werd hij opgeschud door een hels kabaal dat van de andere kant van de kroeg kwam. Een zware mannenstem dreunde uit alle macht, maar werd verdrongen door een schelle vrouwenstem. Artaban keek op om te zien wat er aan de hand was maar wat hij ook deed, hij kon niet om de Kolossus van Nijmegen, de heuvel aan vlees, het ronduit corpulente excuus voor een vrouw heen kijken. De enige aantrekking die hij tot haar zou hebben is als ze nog zwaarder zou worden en een eigen zwaartekrachtveld zou ontwikkelen. Hij dacht een moment dat hij de asteroïden al zag vliegen. Toen ze eindelijk ging zitten (nouja, eindelijk, na vijf minuten op haar benen staan was ze buiten adem) kon hij zien wie de ongelukkige sukkelaar was die aan het ontvangende einde van haar tirade stond. Artaban schrok zich een ongeluk toen hij recht in het straalbezopen gezicht van een bekende keek. Tegen de muur leunde zijn vriend uit de smederij, Baren-Jan, die hij sinds het winnen van zijn vermogen al een jaar niet meer had gezien. Artaban staarde enige tijd naar Barend-Jan en Barend-Jan fixeerde afwisselend zijn linker- en rechteroog op Artaban, waarbij zijn andere oog scheel naar zijn neus toe zakte. Artaban liep op hem af, greep hem bij zijn schouders en schudde hem door elkaar. ‘Berend-Jan!’ riep hij vol euforie ‘wat heb ik jou lang niet gezien! Wat heb je gedaan om de wraak van Ursula op je af te roepen?’ Barend-Jan beantwoorde zijn vragen enkel met wat gegrom, hij was duidelijk te dronken om te functioneren. ‘Hij moet naar huis, dit kan alleen maar verkeerd aflopen,’ dacht hij terwijl hij een blik wierp op de titaan die weer op adem begon te komen en kracht verzamelde om op te staan. Artaban dacht snel, wierp een stuk kaas richting de Leviathan welke daar gulzig op dook, bood zijn wankelende vriend een schouder en snelde de kroeg uit. De barman kwam vloekend achter hem aan omdat Artaban en Barend-Jan niet betaald hadden, Artaban wierp hem een robijn toe waar de barman nog even verstomd naar keek. Hij keek op om hem te bedanken, maar Artaban en Barend-Jan waren al verdwenen naar de smederij. In de smederij zette Artaban Barend-Jan op een kruk en smeet een emmer water in zijn gezicht. Barend-Jan kwam weer een beetje bij en kon waarlijk twee ogen op het gezicht van Artaban fixeren. ‘Was ik maar zo gelukkig geboren als jij…’ mompelde hij ineens, zijn mond een beetje richting zijn schouder hangend. ‘Wat bedoel je?’ vroeg Artaban hem. ‘Jij bent voor het geluk geboren… Je hebt alles… Je bent rijk… En ik…’ Barend-Jan moest moeite doen om zijn hoofd recht op zijn schouders te houden ‘En ik… Word niet eens de beste smid van Nijmegen, laat staan de wereld, zelfs dat kon je beter dan ik…’ bij deze woorden donderde hij bijna van zijn kruk, alsof hij alle kracht in zijn lichaam had verloren. Artaban greep hem nog net op tijd bij zijn kraag en keek hem aan. ‘Betere smid? Als smid was ik waardeloos, dat weet jij net zo goed als ik. Het enige dat ik heb gehad is geluk met een spelletje, daar komt mijn hele fortuin vandaan, ik heb als persoon niks bereikt in mijn leven. Sterker nog, als ik ooit iets zou moeten laten smeden zou ik niemand anders vertrouwen dan jou.’ Artaban zag de werking die hij op het dronken brein van Barend-Jan had. Barend-Jan sprong op, flikkerde bijna weer omdat hij nog steeds ketsbezopen was, herpakte zichzelf en vloog Artaban om de nek. ‘Je hebt gelijk!’ bulderde hij. ‘Je was een waardeloze smid! Er is nog wél hoop!’ Vanaf die avond, de avond dat hij besefte dat zijn geluk gevonden zou worden door het helpen van anderen, ging alles in een stroomversnelling. Artaban had besloten dat om de stad te helpen er eerst in de primaire behoeften van de mens voorzien moest worden, namelijk drank en eten. Hij liet de grote markt ombouwen tot een vreetschuur waarvan Ronald McDonald zou blozen en liet genoeg bier aanslepen om de hele stad in één vloedgolf te kunnen opslokken. Er was zoveel bier dat zelfs de ratten dronken werden alsmede de ratten van de lucht, die dan ook bij bosjes van de standbeelden af vielen of pontificaal tegen een kerktoren vlogen. Vervolgens besloot Artaban het klassieke recept van de Romeinen te herhalen, na het brood komen de spelen. Hij veranderde de hele stad in één groot, vierdaags feest. Overal was drank en werd er gedanst, voor het hele volk was het één groot feest. Met een stortvloed aan goud waste hij alle armoede de stad uit en het volk van Nijmegen is nog nooit zo gelukkig geweest als toen. Dit vierdaagse zuipfestijn heeft in de loop der jaren misschien andere vormen aangenomen, maar het wordt tot de dag van vandaag gevierd

In het jaar 777 n.Chr, zeven jaar na zijn aankomst in Nijmegen, had Artaban plaatselijk al eeuwige roem en glorie verzameld. Zijn daden zouden voor eeuwig in de annalen van Nijmegen worden opgenomen. Dit jaar zou echter de bekroning op zijn epos worden, het jaar waarop Karel de Grote naar Nijmegen kwam om in het Valkhof het paasfeest te vieren. In de wandelgangen van zijn paleizen had hij had al gefluister gehoord over een Nijmeegse legende en zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Aangekomen in Nijmegen, waar hij het bacchanaal aanschouwde dat Artaban voor Pasen uit zijn mouw had geschud, werd zijn nieuwsgierigheid al snel omgezet in interesse. Hij liep een tijdje door Nijmegen rond en kon zijn ogen niet geloven. In heel zijn rijk (dat bijna heel Europa omvatte behalve Frankrijk, maar goed, wie wil Frankrijk nou bezitten? Op vakantie gaan, prima, maar verder wil je er zo min mogelijk mee te maken hebben lijkt me) had hij nog nooit zulke gelukkige mensen gezien. Zijn besluit stond vast, hij zou deze legendarische man ontmoeten en als hij de koning was die hij leek te zijn, zou hij hem met zijn mooiste dochter laten trouwen. Het vooruitzicht dat een man als Artaban in zijn familie zou komen verheugde hem, kerst tot nu toe was maar een saaie bedoening met al die seniele adel, een beetje leven in de brouwerij zou hem goed doen (tussen ons, Keizer Karel wilde ook gewoon een beetje pils hijsen). Een man als Artaban is niet moeilijk te vinden en na een beetje rondvragen werd Karel naar de kanaalbrug gestuurd, waar tijdens Pasen het traditionele peddelfestijn werd georganiseerd. Daar zag hij een man, gekleed in witte broek, blauwe jas en wit hemd met lange halen over het water vliegen. Er was geen twijfel mogelijk, deze adonis moest Artaban zijn. Karel trof hem toen hij net zijn ranke roeiboot uitstapte en zag in zijn ogen meteen een helder licht schijnen. Er was geen twijfel meer voor hem dat deze man de mythe meer dan waar zou maken. Een goed gesprek leidde tot een legendarische avond en een legendarische avond leidde tot een innige vriendschap. Keizer Karel besloot vrij snel daarna om Artaban tot koning van Nijmegen te kronen en hem met zijn mooiste dochter, Emma genaamd, te laten trouwen. De bruiloft was een waar bacchanaal dat haar weerga tot op heden nog nergens heeft gevonden. Het duurde een maand, twee weken en anderhalve dag voordat het gefeest eindelijk een beetje bedaard was en toen het eindelijk bedaard was, barstte het voor nog vier maanden los. Op de echte bruiloft waren weinig mensen aanwezig, Keizer Karel was er uiteraard met zijn huishouden, er was een mannetje met een terugtrekkende haarlijn, Katrina was wel bij de bruiloft, niet meer als vrouw van de smid maar als smid haarzelf. Haar man, Fritz, kon niet komen. Hij was onder dubieuze omstandigheden om het leven gekomen, maar omdat het zo’n verschrikkelijke bal gehakt was maakte niemand het echt uit. Verder was Barend-Jan er natuurlijk, die voor het gelukkige echtpaar de ring had gesmeed. Op 6 januari 778 geven Emma en Artaban elkaar het ‘ja’-woord en ze leefden nog lang (relatief lang, in de Middeleeuwen werd iedereen 40 ofzo) en gelukkig. 

 Dit is het verhaal van Artaban. Door alles te geven, werd hij,

een koning.